Mens en natuur (columns)

✒︎

De weidegeelster is er weer

Foto vanmorgen vroeg (14 maart 2020), aflevering natuurrubriek De Stentor 2018

weidegeelsterretje

© 2018/2020 sander grootendorst 

🖋

Lipbloemige

De biologielerares had een tas vol wilde planten meegenomen. En een ‘flora’, een determinatieboek, aan de hand waarvan wij de planten op naam moesten brengen. Per twee tafels eentje. Dus in duo’s aan de slag. We zaten in de tweede klas.
De meesten van ons hadden het boek helemaal niet nodig. De eerste plant die we voorgeschoteld kregen was een witte dovenetel. Dat zagen we in één oogopslag. Het zonlicht scheen het klaslokaal in, de witte bloempjes glansden. De tweede was een wilgenroosje, met blaadjes als van een wilg.


Maar de opdracht luidde: noteer langs welke route je tot een bepaalde plantensoort komt. Er zat niets anders op dan bij punt één te beginnen: is het een boom of een kruidachtige plant? Hoeveel meeldraden heeft de plant? Staan de blaadjes tegenover elkaar of verspreid langs de stengel?
Elke nieuwe editie van Heukels’ Flora van Nederland heb ik gekocht; oudere edities, waaronder de eerste, de ‘Schoolflora’ van 1883, wel eens doorgebladerd. Vorige week kocht ik in Zutphen de nieuwste, 24e editie, vijftien jaar na de 23e.
Als ik weer mijn jongere zelf zou zijn en mevrouw Mooij-Bok de hare, hadden we de plantensoorten waarschijnlijk minder vlot thuisgebracht.
De nieuwe Flora is een stuk dikker dan de vorige. Er staan heel wat planten in die tot ver in de vorige eeuw niet of nauwelijks in Nederland voorkwamen, maar nu volop. Zoals bezemkruiskruid: menig bedrijventerrein is er in de nazomer mee bezaaid. Overblijvende ossentong: die zie je vaker dan de ‘gewone’. Bezemkruiskruid is van origine Zuid-Afrikaans, overblijvende ossentong Spaans. Pampagras – oorspronkelijk Argentijns – is  als tuinplant veelvuldig verwilderd en daardoor tot de nieuwe ‘Heukels’ doorgedrongen. De regel is ruwweg dat een plant het drie jaar op eigen houtje volhoudt. Dan komt-ie in het boek.
Door de millennia heen veranderde de wilde flora voortdurend. Zelfs onze ‘eigen’ ossentong en korenbloem kwamen vermoedelijk vanuit het oosten mee met akkerbouwers die zich vestigden in wat later Nederland zou heten. Maar de veranderingen gaan de laatste jaren opeens razendsnel. We reizen steeds massaler de aardbol over en nemen van overal zaden en planten(delen) mee, per ongeluk of expres. Vanuit Zuid-Europa rukken uit zichzelf soorten op, die tot voor kort de Nederlandse winters niet overleefden.
Tientallen nieuwe soorten weten zich hier te handhaven, vooral in de stad: daar is het warmer dan in het buitengebied. Ondertussen brengt diezelfde klimaatverandering soorten die niet zo van hitte houden in moeilijkheden. Ook factoren als overbemesting spelen mee; bovendien zijn er steeds minder ruige hoekjes in het landschap.
De witte dovenetel is een lipbloemige, de onderste kroonbladeren hebben de vorm van een lip. De dauwnetel behoort tot dezelfde familie. Tegenwoordig een zeldzaamheid, destijds, in de Liemers, algemeen. Ik stapte van mijn fiets om de paars-gele bloemen te bewonderen. En ik nam als puber het kloeke besluit dat lipbloemigen voortaan mijn lievelingsplanten waren. Dat is sindsdien niet meer veranderd. Al heb ik het nooit tegen mevrouw Mooij-Bok durven zeggen.

© 4 maart 2020 sander grootendorst |  Achterhoek Nieuws

🖋

Geluk en pech

Een doffe klap tegen het keukenraam, dat kon dit keer geen menselijke bezoeker zijn die meende dat de bel het niet deed en daarom op het raam bonsde. Daarvoor was de klap de hard en te eenmalig.
Maar het effect was hetzelfde: ik opende de deur. Er had zich een ongeval voorgedaan, een zanglijster was tegen het raam gevlogen en op straat beland. Een veertje was nog bezig naar beneden te dwarrelen.

Ik raapte de vogel op, hij voelde warm aan en leek uiterlijk niets te mankeren. Maar hij bewoog zich niet, hoogstwaarschijnlijk omdat hij dood was. Lastig constateren of het hartje misschien niet toch nog klopte.
Een paar weken eerder was ik in het buitengebied van Bathmen geweest, in Overijssel, net over de grens met Gelderland. Een gebied overigens dat Lochem er bij de gemeentelijke  herindeling in 2005 graag bij had willen hebben, maar de Tweede Kamer besloot de provinciegrens ongemoeid te laten.
Ik sprak er met de schrijfster van het boek De schatten van Bathmen, korte verhalen over bewoners van verzorgingshuis ’t Dijkhuis die lijden aan dementie. Schrijfster en haar vriendin Mieke hebben het lelijke uitzicht op de snelweg afgeschermd met veel groen waarin het wemelt van de mezen, mussen en vinken. Een vrouwtjesvink had de pech tegen het raam te zijn gevlogen, maar het geluk dat Mieke haar had opgepakt. Terwijl wij het boek doornamen, had zij, tegenover ons aan tafel, de vink de hele tijd in haar linkerhand.
Op een gegeven moment vertoonde het vogeltje tekenen van leven. Hoe kan het ook anders, in de hand van iemand die zich officieel ‘dierentolk’ noemt en cursussen geeft over communicatie met dieren. Dat bedoel ik met geluk. Even later vloog de vink in de tuin als herboren de vrijheid tegemoet. Ze had zichzelf teruggevonden.
Je zou het mensen met dementie ook gunnen, dat ze zichzelf terugvinden te midden van al het vergeten. Vaak lukt dat nog best goed, met enig geduld en veel liefde. Zoals blijkt in het boek van Nathalie Steffens.

Helaas was het voor de lijster te laat. Ik hield de vogel een poosje in mijn hand, bewonderde het fijnzinnige spikkeltjespatroon op keel en buik, meer een afscheidsritueel dan een reddingspoging. Of het een mannetje of een vrouwtje is, kun je bij lijsters niet zien. Zou hij gaan zingen – wat hij al vroeg in het voorjaar luid en duidelijk doet – is het een mannetje. Zou ze een nest gaan bouwen, is het een vrouwtje. Ze voorziet het nest van een laagje houtmolm, dat uithardt als ware het een linoleum vloer.
Een grensverlegging tussen leven en dood zat er niet meer in, ik legde de lijster onder wat bladeren in de tuin. Waarbij ik ongenadig fel werd beschenen door een bouwlamp die als een zomerzon aan de stadshemel stond, ook al lagen de bouwactiviteiten bij het Zutphense verzorgingshuis stil.
Vermoedelijk heeft de bouwlamp de lijster verblind. Het nieuwe decennium heeft hij of zij op een veertje na niet gehaald. 

© sander grootendorst | Achterhoek Nieuws 8 januari 2020

🖋

Ranken naar het licht

Er was storm voorspeld, maar het bleef bij een paar windvlagen. De eerste daarvan werd een populier langs een parkeerplaats waar ik liep bijna fataal. Met een enorm gekraak denderde een zware tak op de grond. De machtige boom zwiepte nog wat na, maar hield stand. Mijn gedachten dwaalden naar een andere plant waarvan ik net de vorige dag met verbazing had vastgesteld hoe subtiel én kordaat hij zich bindt aan attributen die hij onderweg tegenkomt. Een wijnrank, opklimmend over de rand van een balkon. Daarboven heeft de bewoner aan een kettinkje een metalen sieraad opgehangen.
Als de wijnrank een mens was geweest, had je gezegd dat hij er uit pure wilskracht in was geslaagd om dat kettinkje te bereiken. Hij had zich helemaal uitgestrekt om zich als het ware met één vinger vast te haken. Omdat ik in dat huis de planten water geef bij afwezigheid van de vakantievierende bewoner, bezocht ik het de dag na de windvlagen op- nieuw. Op het balkon waren twee potten met zonnebloemen omverge- waaid. Maar de vinger van de wijnrank had niet losgelaten. Hij was in de tussenliggende dagen duidelijk langer geworden.

Nu ontdekte ik ook dat een andere rank van dezelfde plant zich helemaal door het tuinsieraad heen had gewurmd. Ongeveer zoals je een knoop aan een overhemd vastmaakt: nog een paar keer extra met naald en draad erdoor voor extra stevigheid. De wijnrank was die draad, maar… er was geen naald, geen hand, geen kleermakersbesluit, aan te pas gekomen. De druivenstruik kreeg het zonder hulp van buiten voor elkaar.
Charles Darwin, de ‘uitvinder’ van de evolutieleer, was een fan van rankende, slingerende en klimmende planten. Er zitten grote variaties in de manier waarop ze zich bewegen en vastklampen. De wijnrank doet dat op de tast, voorzichtig, de bougainvillea heeft er handige haakjes voor, de klimop, die zijn wortels als hechtmechanisme inzet, is een agressieveling. De clematis of bosrank, een bekende tuinplant, kan zich jegens de planten die hij voor zijn beklimming gebruikt óók agressief gedragen, maar is tegelijkertijd een gevoelig type. Je kunt hem in vervoering brengen door het topje van de rank aan te raken.
Toen ik daarover had gelezen in een boeiend boek van Norbert Peeters (Botanische revolutie), nam ik meteen de proef op de som. Het klopt. Zou ik mijn vinger een hele tijd stil houden, zou de clematis hem gaan omwikkelen. Het was een moment waarop ik dacht: zo groot is het verschil tussen plant en dier dus niet. Met de bosrank kun je echt contact maken en daar is niets zweverigs, niets bomenknuffeligs aan.
Toch nog even terug naar die boom, die populier waarvan een tak afbrak. Veertig meter hoog kan hij worden. Maar waarom zou hij dat eigenlijk willen? Waarom het risico genomen dat je door een storm wordt omgeblazen? Het antwoord: vanwege het licht. En hoe hoger, hoe minder concurrentie van andere planten, die voor hun voortbestaan even- eens van het licht afhankelijk zijn. Om diezelfde reden ranken de druivenstruik en de clematis. Hun ‘oplossing’ is niet de ontwikkeling van een robuuste stam, ze gaan naar boven via de concurrentie, en via bal- konrelingen en allerlei door ons opgehangen voorwerpen.
Daar zijn ze zeer bedreven in geraakt. Zodra het grijpertje, die vinger, beet heeft, vormt de dunne twijg erachter een spiraal die zich eerst linksom en dan rechtsom kronkelt. Een slimmigheidje. Want windvlagen hebben daar minder vat op. In de zomer is het licht op zijn sterkst.
Hij duurt maar kort, dus haast is geboden. Je kunt rankende planten bijna zíen groeien. Wie daar het snelste in is? Darwin kwam uit bij een passiebloemsoort, waarvan een rank binnen drie kwartier een volledige draai om een takje maakt.
Ware passie kent geen bindingsangst.

© sander grootendorst | De Stentor 18 augustus 2018

🖋

De slakkenroute

Vlakbij de vestiging van restaurant McDonald’s in Zutphen trof ik laatst vier lege slakkenhuizen aan, groter dan die van de gemiddelde huisjesslak. Met leeg bedoel ik: niet meer bewoond door het weekdier waar het bijhoort, waar het onderdeel van is. De slakken konden er niet uitgekropen zijn, een huisjesslak zonder huis is ten dode opgeschreven. Mogelijk waren ze verorberd door een roofdier. Ik vond er ook de schedel van een bruine rat. Maar een mens zou eveneens de dader kunnen zijn.

Grappig genoeg kroop er wél een slak uit, nou ja, een slakje, met een huis dat van goud leek. Het slakje had zijn intrek genomen in de woning van een ver familielid. Waarschijnlijk betrof het de grote glansslak – die dus juist bijzonder klein is, anders had hij niet met huis en al in een ander huis gepast, maar hij is weer net iets minder klein dan andere soorten glansslakken. In de natuur is alles relatief. Zo kun je bij slakken in wezen niet van ‘hij’ of ‘zij’ spreken, ze zijn immers tweeslachtig, hij én zij.
Ik vermoedde dat de grotere huisjes, voor het gemak zal ik ze vanaf hier ‘huizen’ noemen, toebehoorden aan de wijngaardslak, de escargot de Bourgogne, zoals de Fransen zeggen, die het dier met graagte tot hun haute cuisine rekenen. De wijngaardslak komt in Nederland in het wild niet voor, misschien met uitzondering van Zuid-Limburg; waar je ze wél levend buiten het restaurant tegenkomt, zijn het de aan haute cuisine ontsnapte exemplaren. Slakken gaat er niet vantussen door  het op een rennen te zetten; maar af en toe slagen ze erin om schielijk uit beeld te verdwijnen.
In het wild heb ik ze in Frankrijk en Zuid-Duitsland wel zien rondkruipen, maar ik kon me niet herinneren dat hun huizen zulke brede strepen hadden, in kleur variërend van chocoladebruin tot okergeel en paarsgrijs – dat laatste mogelijk een gevolg van slijtage.
Met achterlating van het glansslakje nam ik een huis mee naar huis en zocht op internet naar gegevens over de wijngaardslak. Het werd me al gauw duidelijk dat het die niet kon zijn; wel een andere soort uit dezelfde familie, evenmin van origine inheems. De belangrijkste Nederlandse vindplaats: bedrijventerrein De Mars in Zutphen, de omgeving van de McDonald’s dus. Leefgebied van de gebandeerde wijngaardslak. Dat ‘gebandeerde’ slaat dus op het fraaie strepenpatroon. De Franse naam luidt escargot turc, de Turkse wijngaardslak. In de Balkanlanden en delen van het Midden-Oosten komen ze algemeen voor.
Bovendien worden ze daar in reusachtige aantallen gekweekt. Maar als ze worden getransporteerd naar afnamelanden, heeft het kwekerijpersoneel ze al uit hun huizen gepeuterd en ingevroren. Ontsnappen is dan uitgesloten.
Ook in Nederland heb je slakkenkwekerijen en je schijnt dat ook thuis te kunnen doen. Wellicht iemand op een Zutphense zolderkamer? Met de IJssel en het treinstation zo dicht in de buurt kun je ook nog andere scenario’s bedenken over de route van de slak van de Balkan (of verder) naar hier.
De McDonald’s gaat hoe dan ook vrijuit. In het fastfood-restaurant zijn geen slakken verkrijgbaar. 

© sander grootendorst | Achterhoek Nieuws 13 november 2019

🖋

Het kleine, onooglijke, kan net zo spectaculair zijn als het grote. Het wordt meestal bij toeval ontdekt. Al tientallen keren was ik langs de gracht gelopen, niet het mooiste stukje van de stad, vlakbij een urinoir bijvoorbeeld. Het talud is het decor van een heleboel hondenpoep. De baasjes denken dan: goed zo Boris, deponeer ze in het gras, dan hoef ik ze niet op te ruimen.

De stoep is smal, je moet je langs een rij strak geparkeerde auto’s wurmen. En de gemeente heeft er zogenoemde nietjes geplaatst, van die metalen dingen, een meter hoog, waar je je fiets aan kunt vastketenen. Gewoonlijk behouden ze hun glanzende metaalkleur, maar deze zijn bordeauxrood geschilderd. De beide hoeken van het nietje zijn afgerond tot bochten. Op een ervan zit een groen vlekje. Bij nadere beschouwing blijkt het een plantje te zijn. Bij nog nadere beschouwing een varen, een muurvaren. Vaak in de voegen van oude muren te vinden. Van oudsher waren het rotsplanten. Ook zo’n keihard gesteente kent zachte plekken en laat ruimte aan planten die het experiment niet schuwen. Dat biedt overlevingskansen ten opzichte van de minder waaghalzerige concurrentie. De poriën van het metselwerk, zeker in oude, niet perfecte, maar wel oerstevige bouwwerken, laten minuscule druppels water door en als zo’n varen zich er eenmaal heeft gevestigd – wat zonder water, hoe weinig ook, nooit zou lukken – vangt het plantje zelf extra vocht op uit de lucht. Je kunt dit evenement op een willekeurig tijdstip bezoeken. Je hoeft niet te wachten op de specifieke data van Bokbierfestival, beachvolleybaltoernooi of de verkiezing van de sterkste man van Zutphen. Je staat vooraan, bent de enige toeschouwer. Je laat je verrassen.
Het varentje doet zijn naam geen eer aan, metaalvaren zou het moeten heten. De dag dat ik in het vlekje een muurvaren herkende, meende ik nog dat het zo op het blote metaal zat geplakt. Maar er zit een gaatje in de stalen bocht, daarin is een restje regen blijven staan. Het mengde zich met fijnstof, dat, voor zover van natuurlijke aard – wie zal het zeggen, misschien gecomposteerde stuifmeelkorrels – voor een vruchtbare voedingsbodem heeft gezorgd. De buien van vorige maand hebben de muurvaren goed gedaan, hij staat er fris en fruitig bij, klaar om nieuwe sporen te ontwikkelen, het minuscule, zeer avontuurlijke zaad van varenplanten. Het experiment zal vaak genoeg niet slagen, maar is altijd het proberen waard. Ook op plekken die in eerste instantie succes in de weg lijken te staan. Zoals een stuk metaal. Hoe kom je een lange hete zomer door? De sporen van het antwoord op die vraag zijn nog aanwezig: een paar varenblaadjes, zilvergrijs verkleurd, kleven aan het metaal rondom het levensgaatje. De plant moet verdord zijn geweest, op de wortels na dan. Daar zijn de laatste vleugjes energie naartoe gestuurd. Superefficiënt inspelen op de omstandigheden, planten zijn er ijzersterk in. De muurvaren is dit jaar de glorieuze winnaar van de verkiezing ‘de sterkste plant van Zutphen’. Wat een spektakel! Een leuk evenement om ook in andere steden en dorpen te organiseren.

© sander grootendorst | Achterhoek Nieuws 28 februari 2019

🖋

De weidegeelster

Onder aan afbeelding inzoomen

geelsterStentor

© sander grootendorst | Achterhoek Nieuws 20 maart 2018