Sepia

De natuur brengt zelf het sepia-effect al aan.
Een nieuw decennium is ingeluid. Niet dat de rivier en de reiger dat weten. Noch de spoorbrug.
Het water en het licht zijn bondgenoten. Ze vertrouwen elkaar ten diepste en ten verste.

© 2020 sander grootendorst

Meta-oog, microvlinder

Een lange naam voor een minuscuul beestje, de basterdwederikpeulmot. Zonder te verraden of het een hij of een zij is, zit het tegen het witte plafond boven aan het trapgat, zich koesterend in het kunstlicht. De rupsjes leven op de basterdwederik en aanverwante planten, daarvan groeien er hier wel wat in de buurt. Het hoort tot de insecten die ook in de winter nog actief zijn; het aantal stijgt nu zich steeds vaker zachte vrijwel winterloze winters voordoen.
Moeilijk te zeggen of dit micronachtvlindertje zich al eerder in huis ophield, je oog moet er toevallig op vallen. Of misschien niet helemaal toevallig, want het is natuurlijk wel het aandachtige oog. En tegelijkertijd: het respectvolle, het meta-oog. Het bestuderende, tot op zekere hoogte bewonderende. Het constateert dat je niet alleen zelf leeft, maar de basterdwederikpeulmot ook. We houden ons op in hetzelfde universum, we kunnen elkaar – omdat ik een paar treden lager op de trap naar zolder ben gaan staan – in de ogen kijken. Ik besef dat de mot de aantrekkingskracht voelt van het licht terwijl het beestje zelf waarschijnlijk niet doorheeft dat dit licht een vorm van bedrog is, want het is niet de zon en niet de maan die daar straalt, het is een peertje.
Ik schakel het uit, er hoeft geen lamp te branden op de trap als ik op zolder verblijf. De toch al nauwelijks zichtbare basterdwederikpuntmot verdwijnt volledig uit mijn nu duistere blikveld. Ik stap de zolderruimte in, knip het kunstlicht daar aan, ervan uitgaande dat het vlindertje zich pas weer zal verroeren wanneer de schamele winterzon de volgende ochtend via het zolderraam het trapgat in schijnt.
Maar als ik een uur later de zolder verlaat en het trapgatlicht weer aandoe, is de basterdwederikpeulmot gevlogen. Wij zouden van de trap donderen, een mot vindt zijn of haar weg op de tast. 


© 2019 sander grootendorst

De weldadige energie van De Kift

Een theatervoorstelling met een toegift, als bij een concert: we want more. Ongewoon misschien, maar niet voor het twaalfkoppige muziekgezelschap De Kift. Het lied Rolfie – met als refrein een door iedereen meegezongen Joyceiaans ‘Ja, ja, ja!’ – vormde de perfecte afsluiting, de toekift zogezegd, van een avondje weldadige energie, die vrijdag op elke stoel van de Kleine Zaal in de Deventer Schouwburg voelbaar was.
Nadeel in vergelijking tot bijvoorbeeld het concert in poptempel het Burgerweeshuis januari vorig jaar: op stoelen kun je als publiek je energie, je behoefte om mee te swingen, moeilijk kwijt. Een beetje meebewegen met je hoofd, je schouders en je voeten, daar moet het bij blijven. Maar het voordeel is groter: bij een popconcert valt nu eenmaal een hoop weg in gedans, geklets en gedrink. In het theater kun je een speld horen vallen waar dat nodig is. Uiteraard niet als de blazers op volle toeren draaien, wel als de cello of de altviool solo om aandacht vragen. En vanzelfsprekend bij het gesproken en het gezongen woord, de poëzie, een wezenlijk bestanddeel van de Kift-aanpak.
De voorstelling bevatte meer gesproken woord dan de concerten, niet alleen van zanger/ trompettist/gitarist Ferry Heijne, pianist/accordeonist Frank van den Bos en drummer Wim ter Weele, ook van onder anderen Lot Vandekeybus, die haar trombone terzijde legde om zich, zittend op een koffer, publiekelijk te herinneren hoe het ook alweer zat met die groene boom en de bocht in de zee…
De teksten van De Kift, door Ferry Heijne zorgvuldig geplukt uit de wereldliteratuur, zitten vol raadselachtigheden en rake beweringen over leven, liefde, dood en tijd. Daardoor weet je dat de muziek daar óók over gaat. Maar dat had je, hoewek vastgekluisterd aan je stoel, ook al wel gevoeld natuurlijk.
De recentste plaat van De Kift, Bal (uit 2017), werd integraal uitgevoerd, dat wil zeggen: het luidruchtige openingsnummer als laatste, nadat daarvoor juist het zachtste nummer had geklonken en de voorstelling heel even als nachtkaars leek uit te gaan.
Niets was minder waar.
Bal werd aangevuld met klassiekers als de meezinger Wee mij en – hoogtepunt van de avond – Noorderzon, een nummer van de cd Brik (uit 2011), dat een wonderbaarlijke warmte de zaal in blies: ‘Breng je vreugde, breng je lijden, voer je mij de waanzin in?’
De Kift toont al ruim dertig jaar lang aan dat absurdisme kan samenvallen met ontroering, dwaasheid met ernst, muziek met poëzie. Dat laatste is natuurlijk al sinds mensenheugenis bekend, maar het is fijn, het stemt je in de huidige apocalyptische tijden vrolijk en gelukkig als dat op een kille decemberavond zo vol overgave wordt overgebracht. 

Drummer en zanger Wim ter Weele luistert elk De Kift-optreden op met zijn tekenkunst. Al vóór het programma in Deventer begon, was hij aan de slag gegaan.
sander grootendorst © 2019

mensen & honden

mensen en honden, we zijn
tienduizend jaar oud, we hadden
en hebben nog niets, en ook alles,
we trekken elkaar voort en samen op
langs de bosrand en de waterlijn
in onze haren en onze kleren waaraan
de kleverige vruchten blijven haken,
die nemen we mee naar volgend jaar,
de volgende wandeling, naar het gras,
naar het park, naar de kinderen,
we komen tot bloei, dan voelen we
zacht aan, dat kan lang duren
en elke ochtend en avond opnieuw.

(voor Eke, Mila, Siem en Vlok)

sandergrootendorst © 2019