Poëzielandschap

Bijdragen aan diverse media met poëzie als onderwerp
[selectie]

Het gedicht 2

In april verscheen bij de uitgeverij van de Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging (KNNV) de zakgids voor het determineren van ‘stoepplanten’. Het handzame werkje kun je meenemen op wandelingen door Zutphen, Amsterdam of pak ‘m beet Weidum, om de Nederlandse wilde flora te determineren die tussen stoeptegels groeit: van straatgras tot muurleeuwenbek. Er zitten aardig wat plantjes bij die zich handhaven dankzij het opwarmend klimaat.
De betonbloem staat er niet in…
Betonblom, zo heet een, eveneens in april, uitgebracht nummer van Nynke Laverman. Ze is dichter, songwriter, voordrachtskunstenaar, theatermaker, zangeres en vertaler. Betonblom – [hier] https://www.youtube.com/watch?v=vB0E6NkkR0o te beluisteren en te lezen – schreef ze in het Fries: een van de titels op haar nieuwe album Plant. Laverman komt uit Weidum, Friesland. Mooi hoe dat ‘sizze ze’, Fries voor ‘zeggen ze’, steeds terugkomt. Ze heeft er een podcast bij opgenomen, een gesprek met een jonge Belgische die zich zorgen maakt over de toekomst van de aarde. De bloem is ook een symbool. Laverman voelt zich als bloem, als vrouw, in beton gegoten. Waar is de natuur, waar is de vrijheid?

Betonblom (fragment)

Ik bin gelokkich, sizze se
Ik haw it troffen, sizze se
Ik bin frij, sizze se
De wrâld leit oan myn fuotten

Ik bin in frou, sizze se
In jonge blom, sizze se
Ik bin in frou yn ’e fleur fan har libben
Mar hoe sjit ik woartel yn beton?

Ik ben gelukkig, zeggen ze/ Ik heb het getroffen, zeggen ze/ Ik ben vrij, zeggen ze/ De wereld ligt aan mijn voeten
Ik ben een vrouw, zeggen ze/ Een jonge blom, zeggen ze/ In ben een vrouw in de bloei van haar leven/ Maar hoe schiet ik wortel in beton?

[Bijdrage aan Nieuwsbrief boekhandel Van Someren & Ten Bosch, oktober 2021]


Gaza

Hemel, wind en zwaluwen.
Wolken en hun schaduwen.
’t Land, dat met zijn open pracht
Zooveel vrije zonen wacht.

Peter Kooij, grafisch kunstenaar en schrijver van het eerder dit jaar verschenen boek over de geschiedenis van Joods Zutphen (zijn woonplaats), is een fan van het werk van Jacob Israël de Haan. Hij gebruikte een citaat van deze schrijver en dichter als motto voor zijn boek: ‘Er bestaan geene deugden en geene ondeugden. Er bestaan feiten.’
De Haan werd in 1881 geboren in Smilde, leed een onrustig leven, en overleed in 1924 in Jeruzalem als slachtoffer van een moordaanslag. Hij was de broer van Carry van Bruggen, schrijfster van nog steeds lezenszwaardige romans waarin de positie van de vrouw in de maatschappij vaak centraal staat.
De moeder van Jacob en Carry werd in Zutphen geboren, hun opa ligt begraven op de Joodse begraafplaats.
Eerder deze maand was in Gelselaar een poëziefeest met als thema ‘de zwaluw’. Ook Jacob Israël de Haan werd voorgedragen. Hij schreef kwatrijnen, vierregelige gedichten over zijn reis naar Jeruzalem en verblijf aldaar. Waaronder bovenstaand gedicht, waarin de zwaluwen meevliegen met de wolken en de wind, alsof ze vergelijkbare eenheden zijn. Symbolen van openheid en vrijheid.
Over broer en zus De Haan, over Gaza, over zwaluwen, zijn boeken volgeschreven. Poëzie kan in weinig woorden – negentien in dit geval – niet één, maar meer verhalen vertellen. Een paar beelden, een paar gedachten, het is niet meer dan aanstippen. De verbeelding en het inlevingsvermogen van de lezer en de luisteraar doen de rest.

[Contact Zutphen/Warnsveld, 20 oktober 2021]


Het gedicht 1

De dichter K. Schippers, of ook wel: k. schippers, overleed op 12 augustus, vierentachtig jaar oud. Twee jaar eerder sprak ik hem op het Tuinfeest in Deventer, het jaarlijks poëziefestival dat door corona sindsdien niet meer is gehouden. Kocht er zijn bundel Garderobe, kleine zaal, die hij signeerde. Ik had zijn optreden in de kloostertuin bijgewoond, bijna te lommerrijk voor zijn karige taal, zijn korte gedichten, kleine filosofische observaties. Schippers’ poëzie lijkt de lezer steeds weer deze mededeling te willen doen: ‘Het is zoals het is… Of toch niet helemaal? Of wel?’ Hij probeert te omschrijven wat niet of nauwelijks te omschrijven valt. Juist het alledaagse laat zich lastig in volzinnen vangen. Het wordt al gauw te groot, te veel. Daarom gebruikte Schippers weinig woorden.
Schippers was overigens niet K. Schippers. Officieel heette hij Gerard Stigter.

Opening van het visseizoen

Eindelijk buiten.
Water is water.
Riet is riet.
Een eend lijkt op een eend.
Maar nu begint mijn vader (62) weer.
Hij noemt waterhoentjes strijkbouten
en vindt dat de maan
ondergaat
als de
zon.

Moeilijk, zo niet onmogelijk, om na het lezen van deze regels (uit de bundel Een klok en profil) waterhoentjes voortaan niet altijd als strijkbouten te zien rondzwemmen in de vijver.

[Bijdrage aan Nieuwsbrief boekhandel Van Someren & Ten Bosch, september 2021]


Wat poëzie met je doet

Toen een dichter er bij een poëziefestival op de valreep achter kwam dat hij niet vijf, maar vijftien minuten mocht voordragen, haalde hij een boodschappenlijstje van de vorige dag uit zijn broekzak. De dichter, die verder maar drie schrijfsels had meegenomen naar het optreden, droeg het lijstje voor.
De aanwezigen concludeerden terecht dat het de ingrediënten voor aan appeltaart bevatte. Met de woorden ‘anderhalve kilo goudreinetten’ begon de voordracht. Een pak zelfrijzend bakmeel kwam erin voor en de vanillesuiker ontbrak evenmin.
Om de tijd vol te maken eindigde de dichter weer met het opdreunen van het recept. En wat gebeurde er? Het publiek deed mee! Overtuigend galmde het ‘zelfrijzend bakmeel’ door de zaal. Er werd interactief een poëtische appeltaart gebakken. Hij smaakte uitstekend.
Op een vraag die laatst aan een van de leden van het Zutphens dichtersgilde werd gesteld (‘Wat zijn voor jullie goede gedichten?’) luidt het antwoord: Alles kan poëzie zijn. Poëzie is dichter bij dan je denkt.
Een meisje van een jaar of vijf rende op een hek af waarachter zich een hert bevond en ze wees op het gewei. Ze vroeg aan haar ouders, die kwamen aanslenteren: ‘Is dat gemaakt van een stok?’
Pure poëzie, zo’n opmerking. Haar vroegwijze broertje doorbrak de magie, hij zei dat het hert een ‘gewei’ droeg. Maar het effect was toch dat wij opeens gewei een mooi woord gingen vinden. Poëzie doet wat met je. Ze plaatst de dingen in een ander licht. Ze zet de herten een nieuw gewei op, ze brengt de gewoonste woorden tot leven. Ze doet de gordijnen open en laat zien dat het buiten een andere wereld is dan je had verwacht.
Dat kan met één enkel zinnetje, zoals de vaststelling van de schrijver Robert Musil dat bomen in de winter ‘uitsluitend uit hout bestaan’. Hij was al lang geen vijf meer toen hij dat schreef, maar hij had nog dezelfde denktrant van verwondering als het meisje bij dat hert.  Allebei spraken ze het op originele wijze over hout.  Van kunstenaars – waartoe ook schrijvers behoren – wordt wel gezegd dat ze het kind in zich nooit hebben verloochend.

Dit is dan meteen een oproep aan lezers van deze rubriek om dat óók niet te doen en zich zo te laten inspireren tot het schrijven van gedichten.

Een gedicht als Mei van Herman Gorter (4.381regels) kun je geruime tijd op je laten inwerken, door het te lezen of door ernaar te luisteren (tijdens de jaarlijkse Meilezing in de tuin van Dat Bolwerck, die vorige week vanwege corona online werd uitgevoerd). Als je na de slotregels ontwaakt uit je poëtische droom, duurt het wel even voordat je met beide benen op de grond staat en het ritme van je af hebt geschud. De verbeelding blijft nog lang aan de macht.

De Mei past niet op deze pagina. Wel dit gedicht van vijf regels: 

De boom groejt.
Hij groejt en groejt.
Hoger dan het huis.
Hij groejt en groejt.
Hoger dan het flatgebouw.

Het werd geschreven door een meisje van zes jaar.
Je ziet haar kijken, je ziet de boom groeien. Dat is de kracht van de poëzie.

[Contact Zutphen-Warnsveld, 12 mei 2021]